Uitgelezen?

Uitgelezen? Wordt een nieuwe rubriek in onze nieuwsbrief. We signaleren boeiende werken die je kunnen inspireren in je dagelijkse praktijk.

Hieronder vind je de eerste recensies.

...

Het Islamdebat, Sami Zemni

Wie de jongste tijd de actualiteit een beetje volgt, zou gaan geloven dat het belangrijkste probleem waar onze samenleving mee kampt de aanwezigheid van Moslims is. “De truc met de Moslim” noemt Sami Zemni, politicoloog aan de Gentse universiteit, dat in zijn laatste boek: het voortdurende gepraat over Moslims en de Islam is een manier om over andere dingen te zwijgen. Die truc bestaat er vooral in dat men voor maatschappelijke problemen niet langer naar maatschappelijke oplossingen zoekt, maar ze herleidt tot culturele problemen of problemen met de Islam.

Hoe dat zo is gekomen verbindt Zemni met de aanval op de welvaartsstaat door het neoliberalisme. Die holt de oude solidariteitsmechanismen uit net op het moment dat de economie globaliseert en de grenzen vervagen. En wanneer de staat haar rol als behoeder van samenhorigheid en solidariteit opgeeft, zijn mensen bijna verplicht op zoek te gaan naar nieuwe grenzen. Niet altijd om zich af te sluiten, maar om nieuwe vormen van solidariteit, verwantschap en cohesie te vinden, om weerwerk te kunnen bieden tegen de nieuwe, harde werkelijkheid.

Op die manier zijn we terechtgekomen in een “identiteitspolitiek” waarbij mensen zeer sterk bezig zijn met wie of wat ze zijn. De keerzijde van de medaille is dat we ook sterk bezig zijn met wat we niet zijn. Men is bijgevolg ook op zoek naar een buitenstaander die niet tot die identiteit behoort en als boeman kan fungeren. En dat is momenteel vooral de islam, die dan geconstrueerd wordt als het negatief van dat zelfbeeld. “Het Islamdebat” is dus geen boek over de Islam of over Moslims maar over hoe de manier waarop wij het debat over de Islam voeren veel zegt over onszelf en onze samenleving.

Het Islamdebat, Sami Zemni, EPO 2009                         

             naar boven

...

Straf de armen. Het nieuwe beleid van de sociale onzekerheid. Loïc Wacquant

Heb je je ooit afgevraagd waarom we enerzijds een amnestieregeling invoeren voor zwart geld op buitenlandse rekeningen, en anderzijds zero-tolerance prediken voor rondhangende jongeren? Zelf had ik er nog nooit bij stil gestaan, maar “Straf de armen” van Loïc Wacquant zet je wel aan het denken.

Zijn betoog vertrekt van de dubbele evolutie in Amerika, waar de afbouw van de sociale staat samenviel met de groei van de strafstaat. Terwijl de misdaadcijfers gelijk bleven sinds de jaren ‘70, explodeerde de gevangenisbevolking. Nog belangrijker is dat de meeste van deze gevangenen uit de arme bevolkingslagen komen en terechtstonden voor kleine inbreuken zonder geweld. Witteboordencriminelen daarentegen blijven systematisch buiten schot. Als afsluiter wordt de groeiende populariteit van deze strengere aanpak in Frankrijk, onder de loep genomen.

Wacquant overgiet het geheel met een sterk theoretische saus, wat het begin van het boek soms moeilijk verteerbaar maakt. Eens vertrokken brengt hij echter een overtuigend verhaal dat ondersteund is met concrete beleidsanalyses en de nodige cijfergegevens. Een ware verademing tegenover het nauw ingevulde veiligheidsdiscours dat ook hier steeds populairder wordt. Alleen daarom al is ‘Straf de armen’ een aanrader.

Straf de armen. Het nieuwe beleid van de sociale onzekerheid. Loïc Wacquant (EPO, 2010)                                           

                      naar boven

...

Curiezeneuzepastapot. Diversiteit en toegankelijkheid in het jeugdwerk. (Academia Press, 2010)

Curieuzeneuzepastapot vertrekt van de diversiteit van de jongeren. Dé jeugd bestaat niet. Jongeren vormen een kluwen pastaslierten met uiteenlopende interesses, achtergronden, thuissituaties… Het jeugdwerk gelooft sterk in de noodzaak om een afspiegeling te zijn van deze diversiteit. Maar in de praktijk blijkt het jeugdwerk de duale maatschappij eerder te bevestigen dan op te heffen.

Curieuzeneuzepastapot laat een hele hoop jongeren, jeugdwerkers en experts aan het woord. De kracht van het boek schuilt erin dat het de hindernissen binnen het jeugdwerk niet uit de weg gaat. Diversiteit is misschien een mooi principe maar verre van vanzelfsprekend. Deze (zelf)kritische blik vormt ook wel de grootste zwakte van het boek. Waar moeten we nu naartoe met al deze verschillende verhalen? Toch maar blijven zoeken naar manieren om de verschillende jongeren te mixen in één werking? Of aanvaarden dat elk aanbod, ook in het jeugdwerk, zich impliciet of expliciet richt op een bepaalde doelgroep?

Op één punt kunnen we de auteurs alvast niet tegenspreken: diversiteit is geen kwestie van een jaarlijks moskeebezoek of een kookavond met exotische gerechten. Diversiteit betekent oprecht oog hebben voor de diverse noden van alle jongeren in de samenleving en op basis daarvan aan de slag gaan. De auteurs zelf kiezen er voor om, in plaats van in te zetten op “toeleiding en inclusie”, op te komen voor het uitbouwen van een passend aanbod voor alle jongeren. Een divers jeugdwerklandschap, waarbinnen samenwerking kan en moet maar waarin de mainstream jeugdbeweging niet meer als het allerhoogste geldt.

Curiezeneuzepastapot. Diversiteit en toegankelijkheid in het jeugdwerk. Gunter Bombaerts, Wouter Hillaert en Filip Coussée (red), Gent: Academia Press, 2010.                                                   

      naar boven

...

Leven aan de onderkant. Het systeem dat de onderklasse in stand houdt. (Spectrum: 2006.)

De Schotse psychiater Theodore Dalrymple schreef het voorbije decennium een aantal invloedrijke werken over “het leven aan de onderkant”. Zijn denken is eenvoudig samen te vatten: het waardenrelativisme in onze samenleving besmet de maatschappelijk werkers die op hun beurt de onderklasse niet meer op hun verantwoordelijkheid durven te wijzen. Hierdoor is de onderklasse gedoemd om voor eeuwig onderklasse te blijven. Hij vertolkt een conservatief discours dat niet alleen gesmaakt wordt door populair rechts. Steeds meer veldwerkers en beleidsmensen die zichzelf als progressief beschouwen treden zijn argumenten bij.

Dalrymple schrijft vanuit de buik. Zijn wetenschappelijke onderbouwing is op zijn minst zwak, maar dat doet er weinig toe. Vanuit de persoonlijke ervaring en een reële zorg voor zijn patiënten brengt hij een vooral intuïtief overtuigend verhaal. Maar zijn visie op de onderklasse zelf en sociale werkers staat vol clichés en simplismen. De enkele rake analyses verwateren uiteindelijk tot een langgerekte klaagzang. Weinig interessant om inspiratie op te doen. Laat staan om op basis hiervan een beleid te voeren.

Theodore Dalrymple. Leven aan de onderkant. Het systeem dat de onderklasse in stand houdt. Spectrum: 2006.                  

naar boven

Het einde van de psychotherapie (2009)

Iedereen die zich al eens heeft afgevraagd hoe het komt dat psychische – en gedragsproblemen zoals ADHD, borderline, depressies en autismestoornissen de jongste jaren epidemische vormen lijken aan te nemen, kan misschien te rade gaan bij Paul Verhaeghe. Verhaeghe is psychotherapeut en hoogleraar klinische psychologie aan de Gentse universiteit en ook hij heeft zich de laatste jaren het hoofd gebroken over die vraag.

Zijn antwoord is dat die epidemies het cumulatief resultaat zijn van drie elkaar versterkende factoren. Er was ten eerste de vraag van zowel overheden als verzekeringsmaatschappijen naar gestandaardiseerde diagnoses en behandelingen van psychische problemen. Om aan die vraag tegemoet te komen werd de “diagnostical and statiscal manual” van psychische problemen samengesteld. De samensteller is de Amerikaanse Psychiatrische Associatie, een belangenvereniging die ooit zelfs met een stemming besloot of homoseksualiteit al dan niet een psychiatrische categorie moest worden. De DSM is dus eerder een verklarend woordenboek, gedestilleerd uit een amalgaam van meningen dan een echt wetenschappelijk handboek. Zo worden ook te pas en te onpas aandoeningen toegevoegd of geschrapt.

Vervolgens heeft de farmaceutische industrie de “bijbel van de psychiatrie” zoals de DSM wel eens wordt genoemd, dankbaar ter hand genomen om voor zoveel mogelijk stoornissen een pil te ontwikkelen. Pillen ontwikkelen is één zaak, maar pillen verkopen nog een andere: om de remedie te kunnen verkopen moet je eerst de kwaal verkocht krijgen. En om daarin te slagen, spaarde de farmaceutische industrie de afgelopen decennia kosten nog moeite. Met veel succes: psychofarmaca zijn momenteel haar belangrijkste bron van inkomsten. Vandaag gelooft bijna iedereen dat psychische en gedragsproblemen “ziekten” zijn. Dat wil zeggen dat ze symptomen zijn van lichamelijke disfuncties, meer bepaald van een “chemisch onevenwicht in de hersenen”. Verhaeghe toont in zijn boek overtuigend aan dat die visie nauwelijks wetenschappelijk onderbouwd is en dat het al even twijfelachtig is of al die duur verkochte pillen wel veel soelaas bieden. De manier waarop de industrie haar visie op psychische problemen die vooral haar eigen belangen dient, heeft doorgedrukt is bepaald hallucinant. Verhaeghe haalt daarvoor een rist voorbeelden aan.

Maar de bedenkelijke methoden waarmee de farmaceutische industrie haar waar aan de man brengt, biedt geen afdoende verklaring voor het succes ervan. Ook voor de bloei van een dubieuze visie kan is een vruchtbare bodem nodig. En die vruchtbare bodem ziet Verhaeghe in de huidige tijdgeest. De momenteel dominante biopsychiatrie blijkt wonderwel aan te sluiten bij het huidige individualisme dat mensen los van hun context en hun geschiedenis bekijkt. Bovendien is het ziektemodel niet beschuldigend en belooft het een simpele oplossing.

Verhaeghe zoekt zelf de oorzaak van de tegenwoordig meest gestelde diagnoses bij de individualisering. Die zorgt voor een gebrek aan factoren die stabiliteit bieden en voor een tekort aan duurzame sociale bindingen die mensen zekerheid, bevestiging en een identiteit bieden. Dat zorgt ervoor dat mensen op den duur ieder persoonlijk, sociaal en ethisch gevoel van richting verliezen. Schrijnend voor deze nieuwe generatie patiënten is dat de farmaceutische industrie op hun problemen inspeelt. Door ieder gevoel van eenzaamheid, verdriet, of onbehagen te labelen als ziekte legt men de oorzaak van de ellende bij de patiënt zelf. Op die manier wordt de patiënt het slachtoffer van een verkeerde genenconstellatie. En daar verhelpt een goed gesprek niet aan. De oplossing staat vervolgens klaar in pilvorm.

Verhaeghe stelt ronduit dat aandoeningen zoals ADHD en PDD-NOS niet bestaan. Of toch niet op de door de biopsychiatrie gepropageerde manier. Drukke of verlegen kinderen bestaan natuurlijk wel. Maar de DSM afkortingen die daarop geplakt worden zijn een label en ook niet meer dan dat. ADHD “geeft” geen symptomen, de symptomen “zijn” ADHD en dat alleen maar omdat de samenstellers van de DSM ze zo genoemd hebben.

Verhaeghe stelt voor om terug te keren naar de “psychologische methode”, weg van het biologisch reductionisme dat psychische problemen herleidt tot de biochemie van de hersenen, terug naar de mensen, hun context en hun geschiedenis. Zo wordt veranderen opnieuw mogelijk.

Het einde van de psychotherapie is geen eenvoudig boek en ook niet direct een “medicalisering voor dummies”. Daarvoor veronderstelt het te veel voorkennis van de terminologie en van de discussies tussen voor- en tegenstanders van de hedendaagse pillenpsychiatrie. Bovendien is Verhaeghe een aanhanger van de Lacaniaanse school en van het daarbij horende taalgebruik. Dat Lacaniaans discours wil bij de argeloze lezer wel eens op de zenuwen werken. Of op de lachspieren. Of op allebei. Maar het zou jammer zijn je daardoor te laten afleiden en niet meer verder te kijken naar wat hij eigenlijk vertelt, want dat is wel degelijk bijzonder interessant.

Het einde van de psychotherapie. Paul Verhaeghe, Amsterdam: De Bezige Bij, 2009.                                                            

                 naar boven

...

Waar zijn de intellectuelen?

In zijn provocatieve "Waar zijn de intellectuelen?" hekelt Furedi het anti-intellectuele klimaat dat zou heersen in het onderwijs, aan de universiteiten, in de media en bij de meeste culturele instellingen. In het tijdperk van kenniseconomie zijn we er op een of andere manier in geslaagd de groeiende participatie in het hoger onderwijs hand in hand te laten gaan met een toenemend cultureel analfabetisme. We leven in een cultuur van lage eisen en verwachtingen.En dat is funest, want in plaats van mensen te stimuleren houdt het ze dom.

Frank Furedi “was de opvatting toegedaan dat de marginalisering van de intellectuele passie in het hoger onderwijs het onbedoelde gevolg was van een nieuw managementethos dat het intellectuele en culturele leven overheerst.” Maar hij was niet voorbereid op de opkomst van het “filisterdom”. Die term gebruikt hij om personen met bekrompen en benepen opvattingen aan te duiden.

De auteur illustreert hoe kennis geïnstrumentaliseerd wordt door een ethos dat kunst, cultuur en onderwijs alleen waardeert voor zover ze fungeren als instrumenten in dienst van een breder praktisch doel. Kennis als doel, geleerdheid, het streven naar waarheid, enz. worden voorgesteld als een bizar, genotzuchtig en irrelevant streven.

Het boek behandelt onderwerpen als “de devaluatie van het intellect, de verdomming, social engineering en een geïnfantiliseerde cultuur” waarin de auteur illustreert hoe de verdomming in de maatschappij zich heeft ingezet.

Waar zijn de intellectuelen? Frank Furedi. Amsterdam: Meulenhof, 2006.

naar boven

...

Liberticide. Kritische reflecties op het neoliberalisme

Liberticide is een groepsproject van verschillende onderzoekers dat de condities van de hedendaagse vrijheid binnen vele maatschappelijke terreinen in kaart brengt. Zo behandelt men de invloed van de vrije markt op het strafrecht, op de media en op de politiek.

Dat neoliberalisme weinig met liberalisme te maken heeft, is na vijftien jaar uitbreiding van de vrije marktwerking wel duidelijk. Terwijl men bij het afbouwen van de verzorgingsstaat het einde van de ideologieën en maakbaarheid bejubelde, manifesteert het marktdenken zich als een nieuwe en ongrijpbare ideologie.

Het terugtrekken van de overheid, door privatisering en deregulering, en de opkomst van de managementcultuur hebben de bureaucratie en de hoeveelheid wet- en regelgeving alleen maar doen toenemen. De belofte dat de “vermarkting” van de samenleving ons ten goede zou komen wordt intussen door harde feiten tegengesproken. Zorg, onderwijs, infrastructuur… werden duurder en slechter.

De neoliberale revolutie leidt dan ook niet tot meer democratie en vrijheid. Integendeel. Het hedendaagse burgerschap is verworden tot een nomadisch bestaan in een als natuurstaat voorgestelde maatschappelijke realiteit. Het opkomend neoconservatisme is de andere kant van de medaille. Geen fijne omgeving voor maatschappelijk kwetsbare groepen.

Liberticide. Kritische reflecties op het neoliberalisme. Tiers Bakker en Robin Brouwer (red.), Utrecht: IJzer, 2008.                      

             naar boven

...

Kans op slagen. Een integrale kijk op geweld in gezinnen

Spreken na slaan is moeilijk. Wat zeg je als slachtoffer, als pleger, als hulpverlener? Zelfs voor mensen die jarenlang ervaring hebben, blijft omgaan met geweld binnen gezinnen vaak een zoektocht. Naar woorden. Naar signalen. Naar oorzaken.

Kans op slagen is in eerste instantie geschreven voor hulpverleners in de context van een centrum voor algemeen welzijnswerk. Het biedt bijgevolg geen hapklare informatie voor jeugdwerkers. Zij zijn immers geen hulpverleners: ze hebben een andere opdracht in een andere context. Ze worden wel met hulpvragen geconfronteerd – expliciet of impliciet. Wat heeft dit boek te bieden aan jeugdwerkers?

Het boek geeft ons inzicht in het hulpverleningsaanbod van de centra voor algemeen welzijnswerk: in hun aanpak, hun deontologie, hun cliëntperspectief en hun contact met de politie. Daarnaast behandelen de auteurs de specifieke gevolgen voor het kind als slachtoffer en/of getuige van familiaal geweld.

Voor jeugdwerkers die hierin meer inzicht willen krijgen is het artikel van Peter Adriaenssens over huiselijk geweld en kindermishandeling verhelderend. Kris De Groof concretiseert dit vanuit de vraag “hoe gesprekken met kinderen voeren?”. En hoewel een jeugdwerker nooit een gesprek zal voeren zoals een hulpverlener dat doet, kunnen we uit dit artikel wel aandachtspunten halen die in de jeugdwerkcontext toepasbaar zijn.

Tenslotte kan ook de bijdrage over eer-gerelateerd geweld van Helen Blow in een aantal specifieke situaties een kader bieden. Blow behandelt zowel de verschillende vormen van eer-gerelateerd geweld (eerwraak, verstoting) als de implicaties voor de hulpverlening en andere sectoren.

Kans op slagen. Een integrale kijk op geweld in gezinnen - Kris De Groof en Tina De Gendt (red.), Steunpunt Algemeen welzijnswerk en Uitgeverij LannooCampus, Leuven, 2007.               

                     naar boven

...

Het pomphuis van de 21ste eeuw - Educatie in de actieve welvaartstaat

Het pomphuis van de 21ste eeuw - Educatie in de actieve welvaartstaat

In het 17de-eeuwse pomphuis werden hardnekkige werkweigeraars opgesloten die alleen door hard labeur– pompen – letterlijk het hoofd boven water konden houden. In onze actieve welvaartsstaat worden laaggeschoolde werklozen dwingend aangemaand hun "basic skills" bij te schaven met het oog op hun plaats op de arbeidsmarkt. Zo niet dreigen er sancties.

In 1995 pleit Pierre Rosanvallon in La nouvelle question sociale voor een actieve welvaartstaat. Hierbij zouden mensen niet alleen kunnen genieten van hun recht op uitkering, maar ook de verantwoordelijkheid moeten opnemen om zich te integreren in de samenleving. Vijf jaar later verschijnt Het pomphuis. Jacobs en Van Doorslaer, beiden werkzaam in basiseducatie, voelen hoe de druk toeneemt op de meest kwetsbaren om “mee te kunnen met de verwachtingen van de samenleving”. Het boek leest als een trein en biedt inzicht in de uitsluitingsmechanismen binnen de, tien jaar geleden nog prille, actieve welvaartstaat.

Het pomphuis van de 21ste eeuw. Educatie in de actieve welvaartstaat - Roger Jacobs en Jef van Doorslaer, Antwerpen: EPO, 2000.   

  naar boven

...

Emancipatie, relaties tussen minoriteit en dominant

Vanuit zijn onderzoek naar de emancipatiebewegingen van vrouwen en zwarten in Amerika komt Hendriks tot een algemene omschrijving van “het” emancipatieproces. Hij benoemt emancipatie als een proces waarbij groepen met een minderwaardige positie in de samenleving streven naar gelijkwaardigheid en gelijke behandeling.

Groepen mensen in een minderwaardige positie (minoriteiten), worden geconfronteerd met discriminatie en het ontbreken van macht. Ze bevinden zich in de marge van de samenleving. Sommige mensen aanvaarden die positie, anderen strijden voor een afscheiding van de samenleving of voor een gelijkwaardige positie binnen de samenleving.

Het boek biedt een overzicht van de verschillende fases van een emancipatiebeweging en van de strategieën die gebruikt worden door minoriteiten en door de gevestigde orde om hun doelen te verwezenlijken.

Het boek werd bijna 27 jaar geleden geschreven en dat merk je in woordgebruik, in schrijfstijl ook. Hendriks gebruikt duidelijke politieke taal wat de (jonge) hedendaagse lezer misschien afschrikt. Inhoudelijk is het boek relevant gebleven: processen van beïnvloeding en machtsverwerving zijn echter van alle tijden. In die zin kan het boek een kader bieden om een aantal actuele processen en gebeurtenissen te duiden.

Emancipatie, relaties tussen minoriteit en dominant - Hendriks, J., Alphen aan den Rijn: Samsom, 1981.                                      

     naar boven

...

Individu en/of structuur? Of wat wil het sociaal werk aanpakken?

Sociaal werk wil veranderen, wil werken aan een wereld met meer rechtvaardigheid en met mensen die sterker en vrijer zijn. Maar hoe wil het sociaal werk dat bereiken? Wie of wat moet veranderen: het individu of het gezin, de omgeving, de maatschappelijke structuren, de samenleving? Dat is de kwestie waar het in dit artikel om draait. Kristel Driessens en Dirk Geldof starten met boeiend en een vlot leesbaar overzicht van de geschiedenis van het sociaal werk. Zeer informatief is de schets van het duidelijke verband tussen de richting die het sociaal werk uitgaat en de economische en politieke context waarbinnen dit gebeurt.

Daarna gaan de auteurs in op verschillende “brillen” die men kan opzetten ten aanzien van armoede. De invulling van wat sociaal werk is, begint immers met de manier waarop we naar sociale problemen kijken. Anders gesteld: de oorzaak die men benadrukt, bepaalt ook de oplossing die men biedt.

Evenmin als het sociaal werk is de opdracht van het jeugdwerk een vaststaand gegeven dat tijd en ruimte overstijgt. Jeugdwerk wordt gemaakt door groepen mensen, vanuit een bepaalde visie en wordt mee bepaald door de maatschappelijke context. De tekst kan coördinatoren en vormingswerkers handvatten bieden om concrete praktijken van jeugdwerkers binnen bredere visies te plaatsen.

Individu en/of structuur? Of wat wil het sociaal werk aanpakken? - Kristel Driessens en Dirk Geldof, canon sociaal werk, 2009 - zie www.canonsociaalwerk.be                                                         

  naar boven

...

Herstelgericht groepsoverleg

Herstelrecht is een andere vorm van recht doen na een misdrijf. Het accent ligt hierbij niet op bestraffen of beschermen van de dader maar op het herstel van de schade en het leed door het misdrijf veroorzaakt. Herstelgericht groepsoverleg ( hergo) is overgewaaid uit Nieuw-Zeeland waar men het Family Group Conference noemt. Het gaat om overleg tussen dader en slachtoffer met hun achterban en andere actoren zoals de politie. De formule wordt ook in andere landen en contexten toegepast.
Het boek belicht twee Belgische pilootprojecten. De methodiek werd eerst toegepast in de bijzondere jeugdbijstand en later ook in een schoolcontext. Beide projecten werden wetenschappelijk opgevolgd. De auteurs beschrijven de projecten en de resultaten uit het onderzoek. Daarna bespreken zij de overeenkomsten en verschillen tussen twee toepassingen. Dat levert enkele interessante bevindingen op.
Hergo blijkt een constructief antwoord bij ernstige incidenten op school. De onderzoekers stellen in het algemeen een grote tevredenheid vast zowel bij de slachtoffers,als de daders, als bij steunfiguren als bij het schoolpersoneel na een hergo. Elke hergo resulteerde in een herstelplan waarin de jonge (dader) zich engageerde om de aangerichte schade te herstellen.
Ook bij de hergo aanpak van ernstige jeugddelinquentie stellen de onderzoekers een grote tevredenheid vast, zowel bij de slachtoffers als de daders. Ook andere onderzoeken stellen dat de deelnemers significant meer tevreden zijn dan lotgenoten wiens zaak via een traditionele strafrechtsprocedure is afgehandeld.
Hergo lijkt ook positieve effecten te hebben op recidive. Van de jongeren zonder hergo pleegde 58 procent nieuwe feiten tegenover 22 procent van de jeugdigen die deelnamen aan een hergo. Kan het hergo-aanbod de druk op de gesloten afdelingen doen afnemen? Dat is niet systematisch empirisch onderbouwd. Bij gesprekken met jeugdrechters e.a. over de vraag of hergo een alternatief kan zijn om plaatsing te vermijden of uitstroom te bevorderen, blijkt dat men hergo positief inschat als een alternatief voor gesloten opvang.

Herstelgericht groepsoverleg. Nieuwe wegen in de aanpak van jeugddelinquentie en tuchtproblemen. Lode Walgrave & Nicole Vettenburg (red.), Lannoo, 2007.

...
Het jeugdbeleid in Vlaanderen

“Regeren is achteruitzien”. Met die titel steekt Johan Van Gaens, afdelingshoofd van het luik “jeugd” van het agentschap sociaal-cultureel werk, van wal. Het artikel biedt een overzicht van de verschuivingen van het jeugdbeleid vanaf 1944 tot nu. Van Gaens slaagt erin om vanuit zijn inzicht in de historiek van het jeugdbeleid interessante actuele tendensen te benoemen: het subsidiëren van commerciële bedrijven, de opstelling van het middenveld ten aanzien van de overheid, de evolutie van een bottom up naar meer top down financiering, de overgang van volksverheffing naar burgerdemocratie en tenslotte de evolutie om structureel ingebedde maatschappelijke problemen steeds meer te gaan vertalen in problemen van een doelgroep.
Die laatste vaststelling vormt een prima overgang naar het artikel van Filip Coussée over “de versteende pedagogiek van het jeugdwerk”. Coussée stelt dat men de pedagogische kwaliteit van jeugdwerkvormen aftoetst aan de methodiek die wordt gehanteerd wordt. Ze wordt losgekoppeld van de kinderen en jongeren waarover het gaat. De hiërarchie loopt van gestructureerd aanbod, naar semi-gestructureerd aanbod naar ongestructureerd aanbod. Jeugdwerk moet starten van waar de jeugdigen zijn, en niet vanwaar wij willen dat ze zijn, besluit Coussée. Andere bijdragen behandelen het Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid, het lokaal en provinciaal jeugdbeleid en het Europees beleid inzake jeugd.

Het jeugdbeleid in Vlaanderen. Wegwijzer door het beleid, Kluwer, 2011. Met bijdragen van Johan Van Gaens, Filip Coussée, Bert Pieters, Nancy De Backer, Anna Goovaerts, Matti Vandemaele, Jan Vanhee, David Wemel, Bram Vermeire, Joke Laukens. Redactie: Sebastiaan De Coninck.


Nieuws

  • 140.000 kinderen in armoede meer...
  • 10 jaar strijd tegen armoede meer...
  • Casablanca speelt Casablanca meer...
  • Huur eens een boot met je werking… meer...

Maureen Tomczak
Jeugdwerkster
Kinderwerking Fabota ('t Lampeke)
meer...